Dutch-French: Phone and internet
Phone and internet
- Waar is de wifi?Où est le Wi-Fi ?
- Wat is het wachtwoord?Quel est le mot de passe ?
- Ik heb internettoegang nodig.J'ai besoin d'un accès à Internet.
- Mag ik uw telefoon gebruiken?Je peux utiliser votre téléphone ?
- Mijn telefoon is leeg.Mon téléphone est déchargé.
- Ik heb geen bereik.Je n'ai pas de réseau.
- Kunt u mij horen?Vous m'entendez ?
- Ik bel u terug.Je vous rappelle.
- Stuur me een bericht.Envoyez-moi un message.
- Wat is uw nummer?Quel est votre numéro ?
- Is hier wifi?Il y a du Wi-Fi ici ?
- Hoe maak ik verbinding?Comment je me connecte ?
- Het internet werkt niet.Internet ne marche pas.
- Zet uw telefoon aan, alstublieft.Allumez votre téléphone, s'il vous plaît.
- Ik ben aan het bellen.Je suis au téléphone.
- Bel me later.Rappelez-moi plus tard.
- Stuur me een appje.Envoyez-moi un texto.
- Geen internet.Pas d'internet.
- Slechte verbinding.Mauvaise connexion.
- Laad mijn telefoon op.Chargez mon téléphone.
- Waar kan ik opladen?Où puis-je charger ?
- Hebt u een oplader?Vous avez un chargeur ?
- Ik moet bellen.Je dois passer un appel.