Spanish-Dutch: School and studying
School and studying
- ¿Puede repetir eso?Kunt u dat herhalen?
- ¿Cómo se escribe?Hoe spel je dat?
- ¿Qué significa esto?Wat betekent dit?
- Tengo una pregunta.Ik heb een vraag.
- Hable más despacio, por favor.Kunt u langzamer spreken?
- ¿Dónde está el aula?Waar is het klaslokaal?
- ¿A qué hora es la clase?Hoe laat begint de les?
- Olvidé mi tarea.Ik ben mijn huiswerk vergeten.
- ¿Me presta un bolígrafo?Mag ik een pen lenen?
- Abran sus libros.Sla je boeken open.
- Escuchen con atención.Luister goed.
- Tomen apuntes.Maak aantekeningen.
- Levanten la mano.Steek je hand op.
- Hagan la tarea.Maak je huiswerk.
- Estudien para el examen.Leer voor de toets.
- Aprobé el examen.Ik ben geslaagd voor het examen.
- Reprobé el examen.Ik ben gezakt voor de toets.
- Buena suerte en el examen.Succes met het examen.
- Nos vemos en clase.Tot in de les.
- Se acabó la clase.De les is afgelopen.
- Hora del recreo.Pauze.
- No se habla.Niet praten.
- ¡Bien hecho!Goed gedaan!