Japanese-Dutch: Time and dates
Time and dates
- 今日は何曜日ですか?Welke dag is het vandaag?
- 今日は何日ですか?Wat is de datum vandaag?
- そろそろ行く時間です。Het is tijd om te gaan.
- また明日。Tot morgen.
- 遅れています。Ik ben laat.
- ちょっと待ってください。Een momentje.
- 急いでください。Schiet op.
- ゆっくりでいいですよ。Neem de tijd.
- 何時に会いますか?Hoe laat spreken we af?
- 誕生日はいつですか?Wanneer ben je jarig?
- 月曜日です。Het is maandag.
- 明日の朝。Morgenochtend.
- 昨日の夕方。Gisteravond.
- 来週。Volgende week.
- 先月。Vorige maand.
- 今週末。Dit weekend.
- 1時間後。Over een uur.
- 今すぐ。Nu meteen.
- まだです。Nog niet.
- 早いですね。Het is vroeg.
- もう遅すぎます。Het is te laat.