Italian-Dutch: Basics
Basics
- SìJa
- NoNee
- Per favoreAlstublieft
- Grazie mille!Dank u wel!
- Prego.Graag gedaan.
- Mi scusi.Pardon.
- Mi dispiace.Het spijt me.
- Non capisco.Ik begrijp het niet.
- Parla inglese?Spreekt u Engels?
- Può ripetere, per favore?Kunt u dat alstublieft herhalen?
- Può parlare più lentamente?Kunt u wat langzamer spreken?
- Sto bene.Het gaat goed met me.
- Come ti chiami?Hoe heet je?
- Mi chiamo...Mijn naam is...
- Dov'è il bagno?Waar is het toilet?
- Quanto costa?Hoeveel kost het?
- Vorrei questo.Ik wil dit graag.
- Aiutami, per favore.Help me alstublieft.
- Ho bisogno di acqua.Ik heb water nodig.
- Ho fame.Ik heb honger.
- Ho sete.Ik heb dorst.
- Di dove sei?Waar kom je vandaan?
- Sono di qui.Ik kom hiervandaan.
- Che ore sono?Hoe laat is het?
- Puoi aiutarmi?Kunt u me helpen?
- Non lo so.Ik weet het niet.
- Buonanotte.Goedenacht.